Skip to main content

Wenen 2016 – Bijzonder aan Wenen: haar musea (deel één)

In Wenen zijn veel musea, teveel om in dit korte artikel allemaal grondig te beschrijven. Daarom beperk ik mij tot de musea die we zelf bezocht hebben. Dit zijn het Kunsthistorisch Museum (en een kleine uitweiding over de andere Habsburgse musea), het museum in de Abdij van Melk, het Albertina museum, het Leopold Museum en het Oberes paleis in Schloss Belvedere. Omdat ik zot ben van musea, kon ik mij niet inhouden en is dit artikel zeer lang geworden en heb ik het opgesplitst in twee delen. Dit is deel één, voor deel twee, klik hier. Bereidt u voor op lange beschrijvingen, leuke anekdotes, veel namedropping en enkele (kunst)geschiedenislessen. Veel leesplezier!

Muurschildering Gustav Klimt, Kunsthistorisch Museum, Wenen.
Wenen 2016: Muurschildering Gustav Klimt, Kunsthistorisch Museum.

De Habsburgers verzamelden land, adellijke titels, macht, rijkdom, paleizen en kunst. Paleizen als Schloss Schönbrunn en Hofburg (Kaiserappartementen) zijn kunst op zich (vb. fresco’s) maar zijn ook gedecoreerd met vele kunstvoorwerpen (standbeelden, schilderijen, wandtapijten) en dure meubelstukken. Die kunst en andere verzamelobjecten belandden uiteindelijk in enkele topmusea als het Natuurhistorisch Museum en het Kunsthistorische museum, de Kaiser Schatzkammer, de Neue Burg Museums en het Albertina museum.

De Kaiser Schatzkammer is opgedeeld in de Wereldlijke en Kerkelijke schatkamer. In de eerste kan men zich vergapen aan de Keizerlijke Oostenrijkse kroonjuwelen zoals de kroon van keizer Rudolf II, aan de juwelen van het Heilig Roomse Rijk waaronder de keizerlijke kroon en de heilige lans en de juwelen van het Gulden Vlies, en aan één van ‘s wereld grootste smaragden. In de Kerkelijke schatkamer wordt a.h.v. gouden miskelken, met gouden draden geborduurde kazuifels, koffers met relikwieën, kruisen en monstransen in goud en zilver, het verhaal verteld van de Middeleeuwse cult van relieken, van de Habsburgers en het katholicisme, van de eeuw van de contrareformatie en van de keizerlijk vroomheid in de post-Barok periode.

Neue Burg of het Nieuwe Paleis dat werd voltooid in 1913 onder Frans Jozef I, omvat nu verschillende musea met Habsburgse collecties: de wapencollectie, de historische muziekinstrumenten collectie, het Ephesus Museum (met opgegraven objecten van de archeologische site van Ephesos in Turkije), en het Etnologisch Museum (met voorwerpen van volkstammen uit alle werelddelen).

In de tweelinggebouwen het Natuurhistorisch Museum en Kunsthistorisch Museum, met natuur en kunstobjecten verzameld door de Habsburgers, ben je twee dagen zoet als je alles grondig wil bekijken. Het Natuurhistorisch Museum omvat een collectie van 30 miljoen objecten als fossielen, mineralen en prehistorische vondsten waaronder spectaculaire dinosauriërs skeletten, de uitgestorven Dodo en Steller Zeekoe en het vruchtbaarheidsbeeldje ‘de Venus van Willendorf’. Ze illustreren het verhaal van de geschiedenis van de aarde en de evolutie van het leven en het ganse dierenrijk. Het Kunsthistorisch Museum toont de topkunstcollectie van de Habsburgers die kan wedijveren met het Louvre in Parijs of het British Museum in Londen, met vooral topstukken in hun collectie Europese schilderkunst van 15e tot 18e eeuw.

 

Het Kunsthistorisch Museum

Het Kunsthistorisch Museum werd gebouwd in de 19e eeuw in opdracht van keizer Frans Jozef I en heeft een rechthoekig grondplan. Het bestaat uit een centrale hal met shop en faciliteiten (gelijkvloers) en een café (op de eerste verdieping) in een wondermooie koepelhal, waar je in grootse stijl Weense koffie kunt drinken. De twee lange vleugels, links en rechts van deze centrale hal, op het gelijkvloers, de eerste en tweede verdieping, zijn volgestouwd met kunst verzameld door de Habsburgers door de eeuwen heen. De tweede verdieping is klein in oppervlak, en telt slechts enkele zalen (met een muntencollectie) en de Bassano Hal. Het gebouw op zich is al een bezoekje waard. Zo kan je in de centrale trappenhal een muurschildering van Gustav Klimt bewonderen en op de tweede verdieping een muurschildering van Jan Cornelisz Vermeyen getiteld ‘Keizer Charles V’s campagne tegen Tunis’, gedateerd 1535.

Maria-Theresien Platz, het plein tussen Natuur- en Kunsthistorisch Museum, Wenen.
Wenen 2016: Maria-Theresien Platz, het plein tussen Natuur- en Kunsthistorisch Museum.

Ons bezoek was vlug-vlug, te vlug eigenlijk: drie uur hebben we rondgewandeld in het museum (terwijl een ganse dag amper zou volstaan om alles grondig te bekijken) die halverwege onderbroken werd door een welverdiende koffiepauze in het museumcafé. Daarom hebben we keuzes moeten maken. Goed anderhalf uur hebben we gespendeerd aan de vleugel met Nederlandse, Vlaamse en Duitse schilderkunst van 1400-1700. Dit was meer dan de moeite. Een speciale vermelding verdient de zaal met vele werken van Pieter Bruegel de oude. Dan ben ik in twintig minuten door de vleugel met schilderijen van Italiaanse, Spaanse en Franse meesters van 1400-1800 (Renaissance en Barok) gecrost. Daarna spendeerden we 45 minuten in de zalen met kunst uit de oudheid (Egyptische, Babylonische, Griekse en Romeinse antiquiteiten). Tot slot liepen we nog vlug een kwartiertje door ‘Kunstkammer Vienna’ maar dit was niet zo interessant.

Hier volgt een lijstje met wat ik de hoogtepunten van het Kunsthistorisch Museum vond.  Ik begin bij de oude meesters uit de lage landen:

– Uit de 15de eeuw: de Vlaamse Primitieven Jan Van Eyck (portretten), Hans Memling (‘Adam en Eva’ 1485/90, ‘St.John Miniatuuraltaar’ 1485/90) en Rogier van der Weyden (Triptiek ‘De Kruisiging’ 1440) en de Franse schilder, manuscript verluchter en miniaturist Jean Fouquet (‘De hofnar Gonella’ 1440/45). Van diens hand is ook ‘Maria met kind’, c.1450, dat te bewonderen valt in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen (en tijdelijk in het MAS hangt omdat het KMSKA gerenoveerd wordt).

– Uit de 16de eeuw (Noordelijke Renaissance): Pieter Bruegel de Oude, de stamvader van de Bruegels, is sterk vertegenwoordigd met een vijftiental werken op een totaal oeuvre van zo’n 45 werken (‘Het gevecht tussen vasten en vastenavond’ 1559, ‘Kinderspelen’ 1560, ‘De zelfmoord van Saul’ 1562, ‘De Toren van Babel’ 1563, ‘De Kruisdraging’ 1564, ‘Jagers in de sneeuw’ 1565, ‘De Sombere dag’ 1565, ‘Terugkeer van de Kudde’ 1565, ‘De moord op de onnozele kinderen’ 1566, ‘De bekering van Paulus’ 1567, ‘De Nestenrover’ 1568, ‘De Boerendans’ 1568, ‘Boerenbruiloft’ 1568, ‘De Storm’ 1568). De andere werken zijn over de wereld verspreid geraakt, met een zestal werken in KMSK Brussel waaronder ‘De Val van Icarus’ 1558, en ‘De Volkstelling te Bethlehem’ uit 1566), en twee in Antwerpen, nl. in het Museum Mayer van den Bergh (’12 spreuken’ 1558, en ‘Dulle Griet’ 1562).  Frans Floris, uit Antwerpen, is ook vertegenwoordigd in het Kunsthistorisch Museum.

Boerenfeest, Brueghel, Kunsthistorische Museum, Wenen.
Wenen 2016: Boerenfeest, Brueghel, Kunsthistorische Museum.

– Uit de 17de eeuw: de Vlaamse barok is sterk vertegenwoordigd met werken van David Terniers II (Boerenkermis), Antoon Van Dyck (‘Samson en Delilah’ 1630, ‘Thetis en Hephaestos’ 1630/32, vele portretten) en twee zalen vol kunstwerken van Pieter Paul Rubens (‘De Tenhemelopneming van de Maagd Maria’ 1611/14-1621, ‘De vier rivieren van het Paradijs’ 1615, ‘Het Mirakel van St.Francis Xavier’ 1617/18, ‘Cimon en Iphigenia’ 1617, ‘De Caledonische jacht op everzwijnen’ 1617/28, ‘Triptiek van St. Ildefonso’ 1630/32, ‘De Heilige Familie onder een appelboom’ 1630/32, ‘Het feest van Venus’ 1636/37, en nog veel meer doeken zoals een beroemd zelfportret). Voor de stillevens en het fruit kreeg Rubens de hulp van Frans Snyders en Jan Wildens.

– Nog vermeldenswaardig zijn enkele Duitse Oude Meesters uit de 16de eeuw (Noordelijke Renaissance) zoals Lucas Cranach en Albrecht Dürer en Nederlandse Oude Meesters uit de gouden 17de eeuw als Frans Hals, Rembrandt van Rijn (zelfportret) en Jan Steen.

Hoogtepunten onder de schilderijen van Italiaanse, Spaanse en Franse meesters van 1400-1800 (Renaissance en Barok) zijn de artiesten van de Venetiaanse school (16e eeuw, Renaissance): Titiaan (‘Ecce Homo’), Jacopo Tintoretto en Paolo Veronese. Andere topwerken en artiesten zijn Francesco Mazzola of Parmigianino (‘Zelfportret in bolle spiegel), Raffaello Santi (‘Madonna op het grasveld’), Giovanni Bellini (‘Jonge vrouw die haar toilet maakt’), Giuseppe Arcimboldo (‘Water’), verschillende Caravaggio’s, een zaal vol, (bekend om zijn dramatisch schilderspel van licht en donker) en Bernardo Bellotto (‘Zicht op Wenen vanaf het paleis Belvedere’).

Gemma Augustea, Kunsthistorische Museum, Wenen.
Wenen 2016: Gemma Augustea, Kunsthistorische Museum.

De kunst uit de oudheid kent Egyptische hoogtepunten als verschillende sarcofagen, een appelblauwzeegroen nijlpaardje van 4000 jaar oud en een ‘reservehoofd’ (uit kalksteen, de eerste portretkunst). Typisch uit de Babylonische tijd is een ‘geglazuurde stenen paneel met strijdende leeuw’. Van de Griekse periode, vind je sarcofagen, beschilderde vazen, amforen, schalen met godenfiguren en dagelijkse taferelen in zwart en oranjegeel, beelden en bustes. De opgravingen in Ephesos, de hoofdstad van de Romeinse provincie Asia en een van de belangrijkste steden van het Romeinse Rijk en gelegen in huidig Turkije, heeft vele schatten opgeleverd en deze maken het grootste deel uit van de Romeinse collectie in dit museum. Zo heb je ‘Gemma Augustea’, een camee of bas-reliëf gesneden uit een edelsteen, in dit geval Arabisch sardonyx, een wit/blauwbruin dubbellagige kwartsvariëteit. Daarnaast zijn er ook weer veel beelden en bustes, gebruiksvoorwerpen, munten, zegelringen, enz. Uit de vroege Middeleeuwen dateert een goudschat gevonden in 1799 in ‘Nagyszentmiklós’, een plaatsje in het uiterste Westen van Roemenië.

‘Kunstkammer Vienna’ vond ik niet zo interessant. Deze collectie omvat veel edelsmeedkunst, marmeren beelden, miniatuurschepen, bronzen beelden, klokken, drinkbekers, enz. Hoogtepunten zijn onder meer ‘Saliera’ (een zoutvaatje door Benvenuto Cellini), een Griffioen vormig lampetkan, en een drinkbeker met deksel en neushoorn hoorns (door Nikolaus Pfaff, uit 1611).

‘Stift Melk’

De abdij van Melk, is een must-see als je de Wachau wijnstreek bezoekt. Een gids leidt ons rond: vrouwelijk, jong, zwartharig, zeer spraakzaam, uitstekend engels sprekend, zeer grondig en gedegen alles uitleggend. Kortom, uitstekend! De tour omvat het museum (9 zalen) en vier authentieke abdij ruimtes: de Grote Marmeren zaal, de grote en kleine Bibliotheek en de abdijkerk. Wat je te zien krijgt in museum en de authentieke zalen is van hoge kwaliteit. Niet voor niets kreeg ‘Stift Melk’ de titel van Unesco werelderfgoed.

Een eerste weetje is dat de aanleiding van Umberto Eco om ‘De naam van de Roos’ te schrijven, zijn verfilmde bestseller, een manuscript was van een monnik die in deze abdij van Melk woonde en leefde. De rondleiding begint met het abdijmuseum. Elke museumzaal heeft een eigen thema dat ook vormelijk/symbolisch wordt uitgebeeld.

De eerste kamer is verlicht met blauwe neon als symbool voor de start van een monnikenleven en de start van de kloosterorde. Er staat een met bladgoud versierd houten beeld van de stichter van de orde, Benedictus van Nursia (480-547). Benedictus’ leer had als moto: bid, werk en lees. Monniken volgden een strikt schema van 8 uur bidden (8x per dag was er een koorgebed), 8 uur werken (op het land werken, kopiëren van de Heilige Schrift) en 8 uur rusten. Vandaar de kerk, de landbouwgronden, en de bibliotheek. ‘Ora et labora of ‘Bidden en werken’ en ‘Lectio divina’ of ‘het mediterend lezen van de Bijbel en de Kerkvaders’ waren dus de belangrijkste regels van Benedictus, samen met het afleggen van drie geloften: kuisheid, armoede en gehoorzaamheid aan de abt. Deze regels waren de motor voor de opkomst van een bloeiend kloosterleven. Benedictus wordt beschouwd als de vader van het kloosterleven in de Katholieke Kerk.

Dan volgt een groene neonverlichte zaal waarbij groen symbool staat voor het leven en de groei en waar knekeldoosjes van Heiligen bewaard en tentoongesteld worden. De derde kamer is er eentje met ups en downs, letterlijk (het wandelpad) en figuurlijk (voor- en tegenspoed in het leven).

Zalen vier en vijf sluiten bij elkaar aan. Het zijn de Spiegelkamer en Engelenkamer, met resp. wanden van spiegels en schilderingen van engeltjes. Ze verhalen over de barokperiode van de abdij. Er hangt een schilderij van de belangrijkste abt in de geschiedenis van de Abdij van Melk, nl. Berthold von Dietmayr (abt 1700-1730). Deze abt gaf de opdracht de oude Gotische kerk te vervangen door het huidige, Barokke exemplaar.

Zaal zes is de enige ruimte met daglicht: over abt Jozef II die realisme in kerk en abdij wou brengen. Vervolgens een zaal over het heden met een voor deze tentoonstelling ontworpen kunstwerk waarbij elf witte lichamen, die half uit de witte muur komen, verschillende richtingen oplopen. Deze staan symbool voor 11 apostelen en voor de mensen die hun weg in het leven moeten zoeken en hun gids. Ook hier tref je een kamergroot schilderij met acht panelen aan, aan weerszijden beschilderd met het passieverhaal en het leven van Benedictus.

Ruimte 8 handelt over de abdij financiën en inkomsten: landbouw, educatie en toerisme (grootste inkomsten). Er staat ook een curiositeit: een authentieke geldkoffer met veertienvoudig slot dat nog functioneert. Zaal 9 bevat een grootte ronddraaiende maquette van de abdij.

En tenslotte volgen de laatste vier authentieke abdijzalen.

In de Grote Marmeren kamer is alles fake op de deurstijlen na. De rest is van stucco marmer: dit is een mengsel van plaaster, lijm en marmerkleurstof. Het plafond fresco toont een tafereel met Pallas en Athene. Dit is op vlak hout geschilderd, maar toch lijkt er een welving te zijn: een trompe l’oeil! Dan staan we plots buiten op een balkon, een halfcirkelvormige promenade met schitterend wijds hoog zicht op de omgeving.

Fresco in Abdijkerk, Abdij van Melk, Wenen.
Wenen 2016: fresco in Abdijkerk, Abdij van Melk.

De rondgang werkt naar een climax toe want de voorlaatste kamer is de bibliotheek. Deze is van buitenaf gezien het spiegelbeeld van de Marmeren kamer maar binnenin verschillen ze danig veel: de bibliotheek staat vol boeken en heeft een stenen dakgewelf maar met gelijkaardige plafondfresco’s (deze keer dus geen trompe l’oeil effect nodig). Het was een pronkzaal om indruk op de gasten te maken. Het staat vol met 15e en 16e eeuwse boekdrukken (dus niet handgeschreven) in Hebreeuws, Latijn en Grieks. 9000 boeken in totaal in deze zaal, oftewel 9% van de 100.000 titels die bewaard worden in de abdij. Achter glas kan je ook het oudste boek van de abdij bibliotheek bewonderen: een handgeschreven Bijbel uit de beginjaren van de 9e eeuw.

In de volgende, veel kleinere bibliotheekzaal staan 7000 boeken. Dit grote aantal is dankzij de boekschikking in twee rijen dik en het kleinere boekformaat. Er staat ook een wenteltrap die leidt naar tien andere bibzalen met de oudste geschriften en alle andere boeken, twee verdiepingen op en acht naar beneden. Dit is het einde van de rondleiding. De gidse krijgt applaus, terecht, en van sommige mensen iets toegestopt en een persoonlijk dankwoord.

Tenslotte mogen we het absolute hoogtepunt zelf ontdekken: de abdijkerk van Melk. De marmer is fake (stucco werk) en zo ook is het goud (5 kg bladgoud werd gebruikt voor de ganse kerk!) maar het resultaat is schitterend indrukwekkend! Foto-time! Terug buiten bewonderen we nog eens de barokgevel en maken een ommetje voor de strak aangelegde abdijtuin.

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: